Blog

Vim
Had ik het hier de vorige keer over maten, ook VIM is een maat. Het staat voor ‘honderd’ bijvoorbeeld een vim koren betekent:  100 korenschoven.
In mijn jeugd had elk huishouden een bus VIM onder in het aanrechtkastje staan. Het werd gebruikt voor het schuren van het aanrecht , de potten en de pannen. Het werd in 1904 geïntroduceerd op de  Engelse markt en 100 jaar later weer van de Europese markt gehaald. JIF was de opvolger.
De strooibus VIM, met gaatjes bovenop, bevatte schuurpoeder  op basis van silicaat dat wel degelijk voor krassen kon zorgen, ook al was de slogan: Vim schuimt en kan niet krassen.Hoewel schuren ook hard werken was ken ik  van mijn moeder ook het werkwoord “ invimmen”.  Je had dan wel een paar goede ogen en ook goed licht nodig als je moest invimmen d.w.z.  de draad door het oog van de naald moest halen.

Jam en Kaas
Nu zwaaien we met onze hand langs ons hoofd en roepen: Jammie, jammie, dit om aan te geven en te benadrukken dat iets toch wel heel erg lekker is. Vroeger riepen we Kaassie, kaasie.  
Kaassie is leuk, fijn, lekker, in orde, mooi geregeld. Daar ben ik mee in mij schik. Vaak heb ik horen zeggen “Dat is kaasje voor het baasje “ als iets iemand heel goed uit kwam. Nu is het jam, toen was het kaas. Het kan verkeren…

Maten
Unnen elver = een elleboog vol, bijv. unnen elver hooj; pakweg zoveel hooi als dat wat je tussen borst en kromme onderarm kan dragen. Swanenberg:  èll’veren, ww., moeilijk hanteren van grote dingen, onhandig te werk gaan. Afgeleid van èll’ver = armvol
Un haffel = een hand vol, bijv. un haffel snuupkes. Wim Daniëls: Een haffel is een onbepaalde maar toch beperkte hoeveelheid. Het woord wordt gezien als een dialectwoord, maar in Van Dale komen we ‘haffeltje’ tegen, met als omschrijving: ‘een klein aan­tal of een klei­ne hoe­veel­heid, een hand­vol, een sta­pel­tje’. En er staat niet bij dat het een dialectwoord is.
Het woord ‘handvol’, dat Van Dale in de omschrijving opneemt, staat aan de basis van ‘haffel’. ‘Haffel’ is een verbastering van ‘handvol’.
Dat er toch wel een dialectrand aan ‘haffel’ zit, blijkt uit het feit dat Van Dale het werkwoord ‘haffelen’ niet kent. De betekenis van dat woord is: vasthouden, steeds weer oppakken, maar ook: knuffelen en vrijen.
In het dialect, in ieder geval in sommige Brabantse dialecten, komt ook ‘haffelkètje’ voor (haffelkatje): een jonge kat die vaak opgepakt wordt, maar ook een meisje dat gemakkelijk te versieren is.
Unnen moffel = een mondvol, unnen moffel thee ut un kumpke. Un muffelke is nog iets minder. Een tas thee is dan weer meer want dat is een kopje thee

Verbellemont
Verbellemont vind ik een mooi Frans woord. Misschien ook omdat het zo opgewekt, zo frivool klinkt. Het bevat – in het midden – ook ‘belle’, wat zo welluidend als bellen ook kunnen klinken ‘mooi’ betekent in het Frans. Maar het is allemaal niet zo mooi wat de klok slaat, want als het allemaal ‘verbellemont’ is, dan is het ‘kaol verinnneweerd’, en ‘ dè is nie zo skon, wanne ‘.
Daar moest ik vanmorgen aan denken toen ik, na de winterdag en met Ad de Laat’s liedje ‘Vurjaor’ in munne kop weer met lentegevoelens in mijn moestuin begon. Ik kon gaan schoffelen want ‘munnen hof lag er mar kei verbellemont bè’,’ vond ik. Overal waren ‘peine’, wat zoveel vriendelijker klinkend kweekgras is, maar waar je veel ellende van kan hebben.
Verrinneweren is kapotmaken. Verbellemonden is nog sterker dan verrinneweren. Het heeft nog meer van moedwillig verwoesten in zich. Verbellemonden, ook wel verbalemonden, is interessant. Vanaf de Middeleeuwen tot in de 19de eeuw werd het gebruikt voor ‘als voogd het goed van een onmondig kind verkwisten’. Die betekenis laat al zien hoe het woord is gevormd. Het is opgebouwd uit ver-, zoals in verfransen, ‘Frans worden’, ‘zich aanpassen aan de Franse levensstijl’, en balmond of baalmond. Maar wat is een balmond? Dat is ‘een slechte voogd’. In een ver verleden bestond er een woord bal dat ‘slecht’ betekende. Denk maar aan baldadig, ‘een slechte daad doende’, aan balorig, ‘slecht willende horen’ en derhalve ‘tegendraads’, en aan balsturig, ‘slecht te sturen’ en dus ‘ongezeglijk’. Het woord mond staat voor ‘voogd’. We zien het nog terug in het Duitse Vormund, dat ook ‘voogd’ betekent.
Van ‘als slechte voogd het goed van een onmondig kind verkwisten’ tot ‘vernietigend verrinneweren’, tja, dan is het mooie, het ‘belle’, er toch wel van af.

Alle dagen weer
Ik las het eens achter op een caravan: tourlezjoere. Een treffender naam voor het vrije gevoel bij het kamperen kan je niet hebben, volgens mij. Het is afkomstig uit het Frans toen Napoleon hier nog wat aan het rondtrekken was: Tous les jours ( alle dagen) en Tour les jours (dagtocht).
Uit het Frans en uit die Franse periode aan het begin van de negentiende eeuw hebben we wel meer nog dierbare woorden over gehouden zoals verket ( Picardië: fourquette = vork ) en petazzie ( potage= soep, maar ook boerenkoolstampot ).
In de Baronie van Breda heeft een stichting deze naam gekozen om het gebied te promoten als het bourgondisch vakantiegebied met vele mogelijkheden voor ontspanning. Bij ons heet dat Trappen & Happen en dat komt wel op hetzelfde neer.

Het electronisch woordenboek van de Nederlandse dialecten (eWND), gehost door het Meertens Instituut, staat tourlezjoere voor boemelen, flierefluiten. Lekker zalig nietsdoen, effe wir us toe oew eige komme. Dat kan nu ook nu we met Corona voorlopig alle dagen in quarantaine en binnen moeten blijven.

Klùppert
We hantert er temiddag saamen over, ons vrouw en ik, of dè’t bè hullie in d’un aord zaat of b’óns. D’ès nauw al dun twidde keer dè ze langer draagt dan uitgeteld. Ons dochter kri irdaags durren twidde kleine. T Kan naturluk ok van hummes zunne kant komme, zin ik. Laote w’ut daor dan mar op haauwe….
We kèke d’ur vort nor ut, ons vierde kleinkind al. Mar ja, ès die 40 weke d’ur 41 worre of meer dan kredde volgens mèn zonne klùppert van un jong. D’ ès noit hèndig bevalle dan.
Klùppert, zn. m., grote, grofgebouwde jongen: ’n is ’ne flinke klùppert, volgens Cor Swanenberg op CuBra.
Tja, die Belse peerd ware groot, grof en sterk.  Misschien dè daor ut ‘pert’ gedilte vanaf geleid is. Misschien ok van ‘unne klothoop of liever klotberg’; zonne bèrrig turf in de peel  moog er ok wel zèn. Hoe dan ok, t’is un mooi woord: Klùppert.
Dè’tie mar gauw mag komme. Welkom is ie! Opa en oma zèn bevalt ons prima.

Jos Swanenberg reageerde op m’un vraog: ’n klùppert is de Brabantse variant van klepper.
Een klepper is in het Algemeen Nederlands  1. iemand (man of jongen) die meer doet, of kan, durft, waagt, dan een ander, 2. Iets dat groot is in zijn soort, 3. Een paard. 
Het is afgeleid van de werkwoorden kleppen en kloppen ‘een kleppend of klappend geluid maken’, resp. ‘hoorbare slagen geven’. 

Ondertusse is ie ok geborre: Wout, negen pond. Wè’k oe zin: unnen klùppert toch?

Beschoren
De afgelopen weken heb ik gekwakkeld met mijn gezondheid. Ik ‘ha op d’n trek gestaon’, ‘errente un goei klèts gevange’ en ’n bezetting ( = longonsteking ) lag in het verschiet. Ik hoestte mij de longen uit mijn lijf met als gevolg dat ik zo hees werd dat ik mijn stem totaal kwijt was. Mijn keel was pijnlijk en schor. Ik was er dan ook ‘lelijk mee beschorre’, vond ik. Het voltooid deelwoord beschoren is de enige overgebleven vorm van het Middelnederlandse werkwoord bescheren, dat ‘toedelen’ betekende. Beschoren betekent nu ‘ten deel gevallen, overkomen’ of soms ‘gegund’.
Gelukkig was er voor mij nog de kans van durkomme. Pure honing achter in de keel, veel laurierdrop en de keel goed pappen en nathouden met thee en honing maakt dat de klieken weer wat loskomen en dat “ge ut kunt gooien”. Mijn stem begint weer terug te komen; dat geeft weer een ander geluid in huis.

Oorfluwijn
Van mijn vriend Cor van Uden uit Heesch ontving ik een knipseltje van de hand van F.W. Smulders wat gaat over oorfluwijn.
” In een uitzending over een eethuis in Berlikum werd gesproken over een gerecht met de naam Offerween. Dit woord werd verkeerd uitgelegd. Het heeft niets te maken met offer en ook niets met wenden of inwikkelen. De boeren brachten in een kussensloop een goed stuk van de slacht naar pastoor of burgemeester, zoals er bij gezegd werd. Het is een woord dat men in de 17e of 18e eeuw kan vinden in inventarissen van de huisraad. Het is oor-fluwijn; en het betekent kussen of kussensloop. Het werd op allerhande manieren gespeld: offelwijn, offerwijn etc. Fluwijn is een romaans woord, samenhangend met het Latijnse woord pulvinus, dat kussen betekent. “


Snetteren
” Ge ligt er zo te snettere ” kon mijn moeder wel eens zeggen in mijn jeugd als ik zittend aan tafel doende was met een schaar netjes wat berichten uit de krant te knippen die ik wilde bewaren. Dat knippen gaf heel wat afvalstroken en strookjes papier en dus rommel op tafel en op de vloer. Werk weer aan de winkel voor meestal toch mijn moeder.
Ik denk dat “snettere” komt van versnipperen. Nu hebben ze daar versnipperaars voor.

Rekel
Het stond pas in het Brabants Dagblad: schapen in Boekel doodgebeten, vermoedelijk door een wolf wat door nader onderzoek nog aan het licht moet komen. Sommige mannelijke dieren, zoals de wolf en de vos, worden rekel genoemd. Rekel, een woord dat ik best lang geleden voor het laatst hoorde al klonk het mij toen als muziek in de oren: Corrie Konings liet zich toen door haar Rekels begeleiden. Een rekel heeft ook de betekenis van kwajongen, een snaak die veelal kattenkwaad in het zin heeft. Een belhamel dus. Belhamel, een oud woord, staat voor deugniet en gaat terug terug tot minstens de zestiende eeuw. Oorspronkelijk betekende het “de aanvoerder van de groep” maar allengs kreeg de term meer de betekenis van oproerkraaier. Een hamel is een gecastreerde ram. Balloze rammen zijn minder balorig dan onbesneden rammen die onrustiger zijn. In de veehouderij voer(d)en zij daarom de schaapskudde aan en kregen zij, als aanvoerder van die kudde, een bel om. Rond 1600 kreeg de belhamel naast de letterlijke betekenis ook een overdrachtelijke betekenis: “aanvoerder van een oproer”.  Een wolf in een schaapskudde zorgt voor oproer; getroffen schapen zijn er veelal beroerd aan toe. Een belhamel werd daarmee ook een oproerkraaier, een haantje de voorste, een kwajongen. Een baldadig persoon. Iemand mét ballen dus! In het dialect hebben we ook benamingen hiervoor. Cor Swanenberg heeft het over “ verrekte klotjong, die ge d’r us wa meer onder moet luie ”. Een kwajongen, unne klotveger, die weer andere muziek maakt als de lijfelijke straf met de mattenklopper – als ie er dan toch onder geveegd wurd –  wat hard aan komt dan.